Het intelligentiequotiënt

Aan het begin van de twintigste eeuw ontwikkelde de Franse psycholoog Alfred Binet (1857 – 1911) in opdracht van het ministerie van onderwijs de eerste intelligentietest om zwakke leerlingen te kunnen identificeren. Een kind van drie moest bijvoorbeeld zijn neus, ogen en mond kunnen aanwijzen. Een zesjarige moest zijn linkerhand van zijn rechter kunnen onderscheiden en een elfjarige zou van een reeks woorden een zin moeten kunnen maken. Na de invoering van de algemene leerplicht in Frankrijk in 1882 was er namelijk behoefte aan een objectieve maatstaf om kinderen die in aanmerking kwamen voor speciaal onderwijs te kunnen signaleren.

In de intelligentietest van Binet en Simon (1905) werd de mentale leeftijd van een kind als volgt berekend.1 Voor elke leeftijdsgroep waren er zes opgaven. De leeftijdsgroep waarin het kind alle opgaven goed had werd als zijn grondleeftijd gezien. Voor elke correcte opgave uit de hogere leeftijdsgroepen werden er twee maanden bij deze grondleeftijd opgeteld. Als een kind van zes jaar oud bijvoorbeeld alle opgaven voor de leeftijdsgroepen één tot vijf goed had beantwoord was zijn grondleeftijd vijf jaar. Als hij daarnaast vier opgaven uit de leeftijdsgroep van zes goed had werden er acht maanden bij de grondleeftijd opgeteld. De mentale leeftijd van dit kind was dan vijf jaar en acht maanden.

Een onderscheid tussen de mentale en werkelijke leeftijd zegt bij jonge kinderen meer dan bij oudere. Een vijfjarig kind met een mentale leeftijd van vier jaar heeft een slechtere prognose dan een kind van tien met een mentale leeftijd van negen. De Duitse psycholoog William Stern (1871 – 1938) loste dit probleem op door de mentale leeftijd te delen door de werkelijke leeftijd. Het verkregen quotiënt gaf dan de verhouding van de mentale leeftijd tot de werkelijke leeftijd aan. Het vijfjarige kind uit het voorbeeld zou bijvoorbeeld een quotiënt van 0,8 hebben en het tienjarige kind een quotiënt van 0,9. Omgekeerd zou een tienjarig kind met een mentale leeftijd van elf een quotiënt van 1,1 hebben en zijn leeftijd op intellectueel vlak vooruit zijn.

De normale verdeling

In de Verenigde Staten werd de test van Binet en Sinon verder ontwikkeld. De psycholoog Lewis Terman (1877 – 1956) voegde nieuwe onderdelen toe en stelde voor om het quotiënt met honderd te vermenigvuldigen. Op deze manier ontstond het bekende intelligentiequotiënt. De vragen van de test waren bedoeld om de vermogens van een kind op verschillende gebieden te toetsen. Een kind van vier werd bijvoorbeeld gevraagd om een vierkant te manipuleren, een aantal muntstukken te tellen en cijfers te onthouden.2 Ook werd de algemene kennis en het taalgevoel van het kind getoetst. Terman publiceerde zijn nieuwe test in 1916 onder de naam Stanford-Binet naar de universiteit waar hij werkte.3

In de jaren daarna werkten Terman en zijn opvolgers aan meerdere revisies van de test. Zij voegden meer non-verbale vragen toe, stelden een versie voor volwassenen op en verhoogden het plafond van de test. In de vierde editie (1986) werden deeltests geïntroduceerd om intelligentie op verschillende gebieden te kunnen meten. De vijfde editie (2003) heeft deeltests op het gebied van algemene kennis, vloeiend redeneren, ruimtelijk denken, kwantitatief redeneren en geheugen.4 Daarnaast is de test kleurrijker en speelser geworden om de aandacht van de testpersoon langer vast te houden.5 Deze vijfde editie van de Stanford-Binet test wordt tegenwoordig gebruikt voor onderzoek naar plaatsing in het onderwijs, om leerproblemen op te sporen en om een carrière te plannen.

Wanneer de intelligentie van zeer veel personen wordt gemeten blijkt dat de verdeling een kromme volgt die bekend staat als de normale verdeling. Deze verdeling geldt bijvoorbeeld ook voor schoenmaat of lichaamslengte. Voor de verdeling van intelligentie geldt een gemiddelde van IQ = 100 en een standaarddeviatie van IQ = 15. Ongeveer 68,2 % van de populatie heeft een IQ dat minder dan één standaarddeviatie afwijkt van het gemiddelde (IQ 85 – 115). Ongeveer 95,4 % heeft een IQ dat minder dan twee standaarddeviaties afwijkt van het gemiddelde (IQ 70 – 130). Wanneer we in termen van meetbare intelligentie over hoogbegaafdheid spreken gaat het om personen met een IQ dat meer dan twee standaarddeviaties boven het gemiddelde ligt (IQ 130+). Volgens bovenstaande vuistregels gaat het dan om ongeveer 2,3 % van de bevolking.

Terman had een grote belangstelling voor hoogbegaafdheid en met behulp van de Stanford-Binet test was het voor het eerst mogelijk om hoogbegaafde kinderen op jonge leeftijd te kunnen signaleren. In 1921 zette hij de longitudinale studie Genetic Studies of Genius op om de ontwikkeling en eigenschappen van hoogbegaafde kinderen te kunnen bestuderen. Een groep van 1528 kinderen geboren tussen 1900 en 1925 werd gedurende hun hele leven gevolgd. Het is de langst lopende studie naar hoogbegaafdheid die – zolang er nog deelnemers leven – nog steeds door Stanford wordt behartigd. Uit deze studie bleek dat hoewel deze kinderen bovengemiddeld presteerden in het onderwijs, de meerderheid in hun volwassen leven weinig bijzondere beroepen ging uitoefenen. Terman concludeerde uit deze studie dat intelligentie en prestaties niet zomaar causaal te correleren zijn en dat ook andere factoren zoals omgeving en persoonlijkheid een rol moeten spelen om begaafdheid tot bloei te laten komen.

Figuur 1. De normale verdeling van intelligentie.

Literatuur

1 Alfred Binet and Théodore Simon, “Méthodes nouvelles pour le diagnostic du niveau intellectual desanormaux,” L’Année psychologique 11 (1905): 191–336.

2 K. A. Becker, “History of the Stanford-Binet intelligence scales: Content and psychometrics,” in

Stanford-Binet Intelligence Scales, Fifth Edition Assessment Service Bulletin No. 1 (Itasca, IL: Riverside Publishing, 2003), 11.

3 Lewis M. Terman, The measurement of intelligence: An explanation of and a complete guide for the use of the Stanford revision and extension of the Binet-Simon Intelligence Scale (Boston: Houghton Mifflin, 1916).

4 Algemene kennis of gekristalliseerde intelligentie is de kennis die een individu tijdens zijn leven heeft opgedaan. Vloeiend redeneren of vloeiende intelligentie betreft zijn vermogen om nieuwe problemen op te lossen.

5 Becker, “History of the Stanford-Binet intelligence scales,” 7-8.