Kwatrijnen

Het Perzische kwatrijn is een genre dat in de klassieke poëzie van het middeleeuwse Perzië is ontstaan. Beroemd zijn de kwatrijnen van de wiskundige en dichter Omar Khayyam (1048 – 1131). Het overheersende thema van deze gedichten van vier regels is de eindigheid van ons leven en van onze kennis. De geleerde Khayyam stond sceptisch tegenover zowel de orthodoxe Islam als de islamitische mystiek van zijn tijd. Hij prees een leven aan waarin we zowel de eigen eindigheid aanvaarden als het genot dat het leven ons geeft: een hedonisme dat overeenkomsten vertoont met de leer van de Griekse filosoof Epicurus. In zijn gedichten maakte Khayyam volop gebruik van de schatkamer aan beelden in de klassieke Perzische poëzie. Daarin staan bijvoorbeeld de wijnbokaal en de wijn voor lichaam en ziel en zijn nachtegaal en roos een beeld voor minnaar en beminde.

In 1859 vertaalde Edward Fitzgerald de kwatrijnen of rubai’yat in het Engels als de Rubáiyat of Omar Khayyám. Al snel ontstond er in Europa een ware cultus rondom de dichter Khayyam en zijn levensfilosofie. Zijn kwatrijnen werden ook in andere Europese talen vertaald. In Nederland was het de dichter en classicus J.H. Leopold (1865 – 1925) die vele kwatrijnen van Khayyam in zijn bundel Oostersch opnam. Vaak maakten de dichters niet alleen vertalingen of bewerkingen, maar schreven zij ook zelf kwatrijnen. Zij behielden daarbij het rijmschema (aaba) en de melancholieke toon. Zo werd het Perzische kwatrijn een onderdeel van de Europese cultuur. In de Nederlandse dichtkunst vindt men ze onder meer in de poëzie van P.C. Boutens (1870 – 1943) en Ida Gerhardt (1905 – 1997). Hieronder staan enige van mijn eigen kwatrijnen, waarmee ik deze mooie traditie wil voortzetten.

De wegen die van oudsher gingen

De denkenden en zij die zingen –

Ziet gij hen in de verte staan?

Zij manen u tot verder gaan.

Zwervend op een zee van weten,

Haar verre kusten ongemeten;

De schipper heeft geen wens meer dan

De rede – en de reis vergeten.

De poppenspeler kwam eraan

En heeft ons touwtjes omgedaan:

Wij speelden even op een kleed,

Zijn toen de kist weer ingegaan.

Het eeuwige geheim weet jij noch ik.

Dit verborgen woord lees jij noch ik.

Versluierd is ons spreken en ons weten.

Wanneer de sluier valt blijf jij noch ik.

Een boek met verzen, wijn, een handvol brood,

Zoveel als weert de dreiging van de dood,

En gij met mij in eenzaamheids oase –

Is meer dan ‘t leven ooit een koning bood.

Wie Eros tot zijn leidsman heeft verkozen,

Bij hoogste schoonheid wil hij steeds verpozen.

Verlangen is zijn deel – een leven lang,

Zoals de nachtegaal verlangt naar rozen.

Ter Braak zit bij het vensterraam en ziet

Op steden, akkers en hun droef verschiet.

De Duitse vogelaar komt in de avond –

Hij waarschuwt – maar de vogels horen niet.

Marsman ligt in het Kanaal te dromen

Van havens en van Hollands waterstromen.

Zijn paarden grazen in het groene wier

En zien de schepen langzaam overkomen.

De zonnebloem die in oktober bloeit,

Zich naar het licht toe neigt en onvermoeid

De winter afwacht – laat haar zijn tot teken

Dat ook in u het zaad nog langzaam groeit.

Een waterrad staat in het woud

Aan een bergstroom klaar en koud;

Met de stroming zal het draaien,

Uit het water scheppen goud.

Een man vond langs het strand gelopen

Een scheepswrak: hout en mosselhopen.

Hij zorgde jaren voor het schip –

Na jaren lag de zee weer open.

Schoner dan schalmei en luit

Klinkt het lied wanneer u fluit,

Merel, in de vroege ochtend –

Zoeter nog dan harpgeluid.

Een eikenboom die bloeit met ruwe bast,

De winter heeft het kernhout aangetast.

Nog even reikt de kruin naar licht en wolken,

Stort dan ter aarde als een dode last.

Ik weet nog dat ik bij een stille baai kwam,

Mijn tent opsloeg en brood – het was zo taai! – nam,

Een beker koele wijn, een boek vol verzen.

In elke golf klonk toen het: Omar Khayyam!

Waarom uw tijd verspillen met kwatrijnen

Die het leven slechts te kort doen schijnen?

Drink liever wijn, en geef de wijnkan rond!

Want morgen ligt u zelf tussen vier lijnen.