Latijnse woordenschat

Wanneer je een taal leert, is het belangrijk om een actieve woordenschat op te bouwen. Vergelijk het maar met leren schaken: je moet niet alleen de regels van het spel kennen, maar ook de verschillende stukken die op het bord staan. De schaakstukken zijn in deze vergelijking de woorden die je leert, de regels zijn de grammatica. Woordenschat en grammatica vormen samen het belangrijkste gedeelte van het uit het hoofd leren bij een taal. De vier verschillende vaardigheden (lezen, luisteren, spreken en schrijven) leer je vooral door veel met de taal te oefenen. Hieronder vind je enkele tips die je kunnen helpen bij het verwerven van een Latijnse woordenschat.

(1) Gebruik een app om een eigen woordenschat op te bouwen. Zelf gebruik ik al jaren Anki, maar er zijn ook goede alternatieven zoals Wrts en Memrise. Alle woorden die je in deze app zet vormen jouw persoonlijke woordenschat. Een app helpt niet alleen om dagelijks te blijven oefenen, maar ook om je gemotiveerd te houden bij het leren van de taal. Je ziet je woordenschat namelijk dagelijks groeien. Op deze website vind je de beste apps om woordjes te leren.

(2) Maak daarnaast gebruik van een schrift of notitieblok om nieuwe woorden in te noteren. Dat kunnen bijvoorbeeld woorden zijn die je in de les hoort of die je tijdens het lezen tegenkomt. Deze woorden kun je dan later in je telefoon zetten. Het voordeel van deze werkwijze is dat je erg georganiseerd blijft. Voor de komst van mobiel internet maakte ik gebruik van flitskaarten die ik met de hand schreef en in stapeltjes ordende – niet erg aan te raden als je ook een opgeruimde kamer wilt houden. Het met de hand opschrijven van woorden helpt wél om ze beter te onthouden.

(3) Leer je woorden één op één. Wanneer een woord verschillende betekenissen heeft, maak je voor elke betekenis een aparte kaart. In het Latijn kan het werkwoord facere bijvoorbeeld maken en doen betekenen. Je maakt dan twee verschillende kaarten: maken – facere en doen – facere. Deze manier van leren is minder belastend voor het geheugen. Griekse en Latijnse woorden hebben soms wel vijf of meer betekenissen en het is geen doen om deze bij elke kaart die je oefent uit het hoofd op te zeggen. Ik leer mijn woorden zelf Nederlands – Latijn, maar omdat je op de middelbare school vooral moet vertalen kun je dit ook omdraaien of je app zo instellen dat je beide kanten op leert.

(4) Leer jezelf aan om een woord volledig te leren. Voor zelfstandige naamwoorden betekent dit dat je de genitivus enkelvoud en het woordgeslacht erbij leert. De kaart roos – rosa -ae f betekent bijvoorbeeld dat het zelfstandig naamword rosa als genitivus enkelvoud de vorm rosae heeft en dat het een vrouwelijk woord is: de f staat voor femininum. Voor bijvoeglijke naamwoorden leer je de uitgangen van de verschillende geslachten erbij. Zo betekent de kaart groot – magnus -a -um dat de mannelijke vorm magnus is, de vrouwelijke magna en de onzijdige magnum. Deze informatie heb je nodig om de juiste naamval van een naamwoord in een tekst te kunnen herkennen. Bij werkwoorden valt het aan te raden om op den duur de stamtijden erbij te leren. De kaart maken – facio feci factum betekent bijvoorbeeld dat de eerste persoon enkelvoud van het praesens de vorm facio heeft (ik maak), de eerste persoon enkelvoud van het perfectum de vorm feci (ik maakte, ik heb gemaakt), en het ppp de vorm factum (gemaakt). Wanneer je deze drie stamtijden van het werkwoord kent, kun je daaruit alle mogelijke vervoegingen van het werkwoord afleiden. Het volledig leren van woorden zorgt ervoor dat je een diepe woordenschat verwerft. Dat betekent dat je alle vormen van het woord kunt herkennen en deze ook zelf kunt gebruiken. Maar mocht je net beginnen met het Latijn, leer je woordjes dan eerst zoals deze achterin je tekstboek gegeven staan. Je kunt later altijd nog de volledige informatie aan je kaarten toevoegen.

(5) Schaf een goed woordenboek aan en leer het te gebruiken. In de onderbouw kun je nog wel volstaan met de woordenlijsten in je tekstboek, omdat deze woorden horen bij de oefenteksten die je leest. Maar wanneer je in de bovenbouw komt en de klassieke auteurs gaat lezen heb je een woordenboek nodig. Op de Nederlandse scholen is het de standaard om te werken met het Woordenboek Latijn / Nederlands van Harm Pinkster (Amsterdam: Amsterdam University Press, 2018). Een wat ouder woordenboek, dat ik zelf graag gebruik, is het Beknopt Latijns-Nederlands woordenboek van Fred Muller en E.H. Renkema (Groningen: Wolters, 1958). Welk woordenboek je ook kiest, neem de tijd om de inleiding door te nemen en de afkortingen te leren. Het werkt bijvoorbeeld veel sneller als je bij het lemma ferrum -i n – ijzer meteen doorhebt dat de -i de uitgang van de genitivus enkelvoud is en dat de n voor neutrum staat, wat dus betekent dat het een onzijdig woord is van de tweede declinatie. Op deze site vind je meer informatie over de verschillende Latijnse woordenboeken die je in boekvorm én online kunt gebruiken.

(6) Lees zo veel mogelijk Latijn. Om een grote woordenschat op te bouwen is het belangrijk om veel leeskilometers te maken. De methode Lingua Latina per se Illustrata van Hans Henning Ørberg (Rome: Accademia Vivarium Novum, 2017) biedt vanaf de eerste bladzijde alle tekst, oefeningen en grammatica in het Latijn aan. Je krijgt hulp bij het lezen door middel van tekeningen en aanwijzingen in de marges. Het doel van deze bijzondere methode is om vloeiend Latijn te leren lezen zonder voortdurend woorden te moeten opzoeken. Het eerste deel van de serie boeken heet Familia Romana. Dit deel gaat over het leven van een Romeinse familie in de tweede eeuw na Christus. Het tweede deel heet Roma Aeterna. In dit deel lees je over de geschiedenis van het Romeinse Rijk. De serie gaat verder met de werken van klassieke auteurs als Plautus, Ovidius en Cicero, die je op dezelfde manier leert lezen. Een goede bespreking van de methode van Ørberg vind je op deze website.