Novalis – Hymnen an die Nacht

Inhoud

1. Welk levend

2. Moet altijd de morgen

3. Eens, toen ik bittere

4. Nu weet ik

5. Over de mensen

6. Verlangen naar de dood

Hymnen aan de Nacht

1.

Welk levend, met zintuigen begaafd mens bemint niet vóór alle wonderlijke verschijningen van de om hem heen liggende ruimte het alles verblijdende licht – met zijn kleuren, zijn stralen en golven; zijn milde alomtegenwoordigheid als wekkende dag. Als de meest innerlijke ziel van het leven ademt het de reusachtige wereld van de rusteloze sterren en baadt dansend in zijn blauwe vloed – ademt het de fonkelende, eeuwig rustende steen, de tere, water opzuigende plant en het wilde, brandende, veelvormige dier – vóór allen echter de heerlijke vreemdeling met de zinrijke ogen, de zwevende gang en de zacht gesloten, klankrijke lippen. Als een koning van de aardse natuur roept het elke kracht tot talloze veranderingen op, sluit en verbreekt het oneindig veel verbonden, bekleedt het elk aards wezen met zijn hemelse beeld. – Zijn aanwezigheid alleen openbaart de wonderbare heerlijkheid van de rijken der natuur.

Afwaarts wend ik mij tot de heilige, onuitsprekelijke, geheimzinnige nacht. Veraf ligt de wereld – in een diepe grafkuil verzonken – woest en eenzaam is haar plaats. Door de snaren van mijn borst waait diepe weemoed. In dauwdruppels wil ik neerdalen en mij vermengen met de as. – Verre herinneringen, jeugdwensen, kinderdromen, de korte vreugden van heel dit lange leven en vergeefse hoop komen voorbij in grauwe gewaden, als de avondnevel na zonsondergang. In andere gebieden sloeg het licht zijn vrolijke tenten op. Zou het nooit tot zijn kinderen terugkeren, die het met onschuldig geloof verwachten?

Wat komt opeens zo vermoedend op uit het hart en slokt de weke lucht van de weemoed op? Heeft ook u behagen in ons, donkere nacht? Wat houdt u onder uw mantel, dat mijn ziel met onzichtbare kracht aanraakt? Kostelijke balsem druipt uit uw hand, uit de bundel papaver. De zware vleugels van het gemoed verheft u. Donker en onzegbaar voelen wij ons bewogen – een ernstig gelaat zie ik blij verrast, dat zich zacht en vol aandacht tot mij neigt en onder oneindig verwarde lokken de lieve jeugd van de moeder toont. Hoe arm en kinderlijk lijkt mij het licht nu – hoe verheugend en gezegend het afscheid van de dag. Dus alleen daarom, omdat de nacht uw dienaren afvallig maakt, zaaide u in de wijde ruimte de stralende bollen, om uw almacht – uw terugkeer – te verkondigen ten tijde van uw afwezigheid. Hemelser dan die fonkelende sterren lijken ons de oneindige ogen, die de nacht in ons heeft geopend. Verder zien zij, dan de bleekste van die talloze heerscharen – zonder het licht nodig te hebben doorschouwen zij de diepten van een liefhebbend gemoed – wat een hogere ruimte met sprakeloze vreugde vult. Geprezen zij de wereldkoningin, de hoge verkondigster van heilige werelden, de behoedster van zalige liefde – zij stuurt mij jou – tedere geliefde – lieftallige zon van de nacht, – nu waak ik – want ik ben de jouwe en jij de mijne – jij hebt mij de nacht tot leven verkondigd – mij tot mens gemaakt – verteer met geestelijke gloed mijn lichaam, dat ik mij licht en inniger met jou vermeng en dan eeuwig de bruidsnacht duurt.

2.

Moet altijd de morgen terugkeren? Houdt de macht van het aardse nooit op? Rampzalige bezigheid verhindert de hemelse komst van de nacht. Zal nooit het geheime offer van de liefde voor eeuwig branden? Toegemeten werd aan het licht zijn tijd; maar tijdloos en oneindig is de heerschappij van de nacht. – Eeuwig is de duur van de slaap. Heilige slaap – verblijd de aan de nacht gewijde niet al te zelden in dit aardse dagwerk. Alleen de dwazen miskennen u en weten van geen slaap dan de schaduw, die u vol medelijden op ons werpt in die schemer van de werkelijke nacht. Zij voelen u niet in de gouden vloed van de druiven – in de wonderolie van de amandelboom en het bruine sap van de papaver. Zij weten niet, dat u het bent die rond de boezem van het tedere meisje zweeft en haar schoot tot een hemel maakt – vermoeden niet, dat u ons uit oude verhalen tegemoet treedt, dat u de hemel opent en de sleutel draagt tot de woningen van de Zaligen, zwijgende bode van oneindige geheimen.

3.

Eens, toen ik bittere tranen vergoot, toen mijn hoop in verdriet opgelost en vergaan was, stond ik eenzaam bij de dorre grafheuvel, die in een nauwe, donkere ruimte de gestalte van mijn leven verborg – eenzaam, zoals niemand nog eenzaam was, voortgedreven door een onzegbare angst – krachteloos, alleen nog maar een gedachte aan ellende. – Toen ik daar naar hulp omkeek, niet vooruit kon en ook niet terug, en met oneindig verlangen aan het heenvliedende en uitgedoofde leven hing: – toen kwam uit blauwe verten – van de hoogten van mijn oude gelukzaligheid de schemer gestort – en verbrak in één keer de band van de geboorte – de ketens van het licht. Heen vluchtte de aardse heerlijkheid en mijn droefheid met haar – de weemoed stroomde samen in een nieuwe, ondoorgrondelijke wereld – jij, nachtbezieling, hemelse sluimer kwam over mij – het landschap verhief zich zachtjes; boven het landschap zweefde mijn ontbonden, opnieuw geboren geest. Tot een stofwolk werd de grafheuvel – door de wolk heen zag ik het verheerlijkte gelaat van de geliefde. In haar ogen rustte de eeuwigheid – ik nam haar handen, en de tranen werden tot een fonkelende, onverbrekelijke band. Duizenden jaren trokken voorbij in de verte, als onweer. Aan haar hals weende ik tranen, die het nieuwe leven in verrukking brachten. – Het was de eerste, enige droom – en sindsdien voel ik een eeuwig, onwankelbaar geloof aan de hemel van de nacht en aan zijn licht, de geliefde.