Filosofie

Het filosofische onderzoek in mijn praktijk volgt twee wegen. De moderne filosofie bestudeer ik binnen de traditie van het Duitse idealisme. Binnen de antieke filosofie richt ik mij vooral op de klassieke en hellenistische tijd. Met de gedachte aan verschillende wegen sluit ik aan bij de antieke opvatting dat filosofie in de eerste plaats een manier van leven is. Voor zover deze manier van leven zich kenmerkt door het nadenken, staat zij ook in een voortdurende dialoog met de filosofische traditie. Op deze levensweg begaan we tegelijkertijd wegen door het denken, die zijn gebaand door de filosofen die voor ons leefden.

Duitse weg

Eerder al bestudeerde ik in Leiden het Duitse idealisme en schreef ik een scriptie over de esthetiek van Immanuel Kant en Friedrich Schiller. Ik vroeg mij daarin af wat schoonheid volgens beide denkers is en hoe de ervaring van schoonheid samenhangt met morele ontwikkeling. In de loop der jaren heeft mijn interesse zich uitgebreid naar het latere esthetische en pedagogische werk van Schiller, waarin hij een geestelijke tegenhanger van de Franse Revolutie ontwerpt. Zoals veel Duitse intellectuelen stond Schiller aanvankelijk welwillend tegenover de Revolutie, maar deze houding veranderde in afgrijzen na de terechtstelling van de Franse koning en de daaropvolgende Terreur. Schiller komt in zijn latere werk tot de conclusie dat Europa nog niet klaar is voor politieke vrijheid, omdat het karakter van de mensen nog niet edel genoeg is om de idealen van de Verlichting in de praktijk te brengen. Daarom ontwerpt hij een esthetisch en pedagogisch programma, waarin hij een belangrijke plaats toekent aan de opvoedkundige waarde van kunst. Kunst spreekt de gehele mens aan – zowel zijn zintuiglijke en redelijke natuur – en heeft daardoor het vermogen het karakter te veredelen en voor te bereiden op moreel handelen.

Antieke weg

Op de antieke weg volg ik met name de filosofie van Plato en het stoïcisme. Zoals bekend heeft de ideeënleer van Plato zeer grote invloed gehad op de westerse cultuur: bijvoorbeeld op het christendom, op de waardering van lichaam en geest en op de ontwikkeling van de psychoanalyse. Maar er zijn ook filosofen die het platonisme afwijzen als een ontkenning van het leven. Zo zegt Nietzsche dat het verlangen naar een wereld voorbij de zintuiglijke een weigering inhoudt om het lijden in het werkelijke leven te aanvaarden – een ontkenning van de echte wereld, met andere woorden. Hoe moeten we omgaan met deze erfenis van Plato in onze cultuur? Hoe ziet een leven dat filosofisch kan worden genoemd er concreet uit? Vanuit deze laatste vraag ben ik ook geïnteresseerd in de hellenistische levensfilosofie van het stoïcsme. De stoïsche filosofen stonden een leven voor waarin men onbeheerste emoties als verdriet of woede zoveel mogelijk probeerde te vermijden. In de praktijk probeerde men dat te doen door te reflecteren op het eigen denken, met name op de vraag welke gebeurtenissen wel in onze macht liggen en welke niet. Van de stoïsche filosoof Epictetus heb ik veel geleerd over de regulatie van onze emoties en hoe we door middel van filosofische gespreksvoering anderen daarbij kunnen helpen.

2012 – Kallias: Kant en Schiller over schoonheid

2018 – Het filosofisch-praktisch groepsgesprek

2020 – Over het spel

2021 – In de spreekkamer van de Stoa