Immanuel Kant

Over de schoonheid als symbool van de zedelijkheid

Kritiek van de oordeelskracht, § 59.

Om de realiteit van onze begrippen aan te tonen, zijn altijd aanschouwingen nodig. Gaat het om empirische begrippen, dan heten deze aanschouwingen voorbeelden. Gaat het om zuivere verstandsbegrippen, dan worden ze schema’s genoemd. Maar als men de objectieve realiteit van begrippen van de rede, d.w.z. van ideeën wil aantonen, en wel ten behoeve van de theoretische kennis daarvan, dan verlangt men iets onmogelijks, omdat er geen aanschouwing kan worden gevonden, die beantwoordt aan een idee.

Alle hypotypose (uitbeelding, subiectio sub adspectum) als verzinnelijking is tweevoudig: ofwel schematisch, wanneer aan een begrip, dat het verstand vat, de overeenkomstige aanschouwing a priori wordt gegeven; ofwel symbolisch, wanneer met een begrip, dat alleen de rede kan denken, en waaraan geen zintuiglijke aanschouwing kan beantwoorden, toch een aanschouwing wordt verbonden. De procedure van de oordeelskracht is in dit geval slechts analoog aan de werkwijze, die zij in het schematiseren toepast, d.w.z. komt daarmee slechts in de regel overeen, niet in de aanschouwing zelf, en daarom slechts in de vorm van de reflectie en niet naar de inhoud.

Het is een door de nieuwere logici weliswaar aangenomen, maar naar de betekenis verkeerd en onterecht gebruik van het woord symbolisch, als men het tegenover de intuïtieve wijze van voorstellen plaatst; want de symbolische voorstellingswijze is slechts een ondersoort van de intuïtieve. Deze laatste (de intuïtieve) kan namelijk in de schematische en de symbolische worden onderverdeeld. Beide zijn hypotyposen, d.w.z. uitbeeldingen (exhibitiones); niet slechts kenschetsen, d.w.z. aanduidingen voor begrippen door begeleidende zintuiglijke tekens, die helemaal niets bevatten dat in de aanschouwing met het object overeenkomt, maar enkel tot middel dienen om deze begrippen te reproduceren door associatie van de inbeeldingskracht, dus in subjectief opzicht. Dergelijke aanduidingen zijn ofwel woorden of zichtbare (algebraïsche, zelfs mimische) tekens, als louter uitdrukkingen voor begrippen.[1]

Alle aanschouwingen, die men met a priori begrippen verbindt, zijn dus ofwel schema’s of symbolen. De eerstgenoemde zijn directe, de laatstgenoemde indirecte uitbeeldingen van een begrip. Schema’s doen dit demonstratief, symbolen door middel van een analogie (waarbij men ook gebruik maakt van empirische aanschouwingen). De oordeelskracht heeft bij de analogie een dubbele taak: ten eerste het toepassen van het begrip op het voorwerp van een zintuiglijke aanschouwing, en ten tweede het toepassen van alleen de manier van reflectie over die aanschouwing op een heel ander voorwerp, waarvan het eerste voorwerp slechts het symbool is.

Zo wordt een monarchie door een bezield lichaam voorgesteld, wanneer deze door innerlijke volkswetten wordt beheerst. Maar deze staat wordt door een werktuig (zoals een handmolen) voorgesteld, wanneer hij door één enkele absolute wil wordt beheerst. In beide gevallen is de voorstelling slechts symbolisch. Want tussen een despotische staat en een handmolen bestaat weliswaar geen gelijkenis, maar wél tussen de regel waarmee wij op beide en hun oorzaken kunnen reflecteren.

Deze taak van de oordeelskracht is tot nu toe nog maar weinig uiteengezet, hoezeer het ook een dieper onderzoek verdient; maar het is hier niet de plaats om erbij stil te staan. Onze taal zit vol met zulke indirecte voorstellingen naar een analogie, waarbij de uitdrukking niet het eigenlijke schema voor het begrip bevat, maar slechts een symbool waarop men kan reflecteren. Zo zijn de woorden grond (stut, basis), afhangen (van boven gehouden worden), ergens uit voortvloeien (in plaats van volgen), substantie (zoals Locke zich uitdrukt: de drager van accidentele kenmerken) en talloze andere geen schematische, maar symbolische hypotyposen en uitdrukkingen voor begrippen, niet door middel van een directe aanschouwing, maar slechts volgens een analogie daarmee, d.w.z. volgens een overdracht van de reflectie op een voorwerp van aanschouwing op een heel ander begrip, waaraan wellicht nooit een aanschouwing direct kan beantwoorden.

Als men alleen de wijze van voorstellen al kennis mag noemen (hetgeen zeker is toegestaan, als deze kennis niet een beginsel van de theoretische bepaling van een voorwerp is, wat het op zichzelf zou zijn, maar van de praktische bepaling, namelijk wat de idee van dit voorwerp voor ons en voor het doelmatige gebruik ervan moet worden), dan is al onze kennis van God slechts symbolisch. Wie deze kennis voor schematisch houdt en God eigenschappen toekent als verstand, wil, enz., die alleen bij schepselen een objectieve realiteit hebben, komt uit bij het antropomorfisme.  Wie alle intuïtieve kennis van God weglaat komt terecht in het deïsme, waardoor overal niets, ook niet in praktisch opzicht wordt gekend.

Nu zeg ik: het schone is het symbool van het zedelijk goede. Alleen om deze reden (vanwege een betrekking die voor iedereen natuurlijk is, en die ook iedereen als plicht van anderen verlangt), bevalt het schone met aanspraak op de instemming van allen. In het welgevallen aan schoonheid is het gemoed zich bewust van een zekere veredeling en verheffing boven de ontvankelijkheid voor genot door de zintuigen. Het gemoed schat de waarde van anderen ook in naar een overeenkomstige maxime van hun oordeelskracht. Dat is het intelligibele waarop, zoals de vorige paragraaf verduidelijkte, de goede smaak gericht is. Daartoe stemmen zelfs onze hogere kenvermogens met elkaar overeen. Zonder dit intelligibele zou tussen hun natuur, vergeleken met de aanspraken van de goede smaak, slechts tegenspraak ontstaan.

In dit vermogen om schoonheid te beoordelen is de oordeelskracht niet, zoals in een empirische beoordeling, aan een heteronomie van ervaringswetten onderworpen. De oordeelskracht legt ten aanzien van de voorwerpen van een zo zuiver welgevallen zichzelf de wet op, zoals de rede dat ten aanzien van het vermogen tot begeren doet. De oordeelskracht is, zowel vanwege deze innerlijke mogelijkheid in het subject, als vanwege de uiterlijke mogelijkheid van een daarmee overeenstemmende natuur, betrokken op iets in het subject zelf en op iets buiten het subject. Dat laatste is geen natuur en ook geen vrijheid, maar verbonden met de grond van beide, namelijk het bovenzintuiglijke. Daarin worden het theoretische en het praktische vermogen op een gemeenschappelijke en onbekende wijze tot een eenheid gesmeed. We willen nu enkele aspecten van deze analogie noemen, waarbij ook de verschillen tussen het schone en het zedelijk goede niet onopgemerkt zullen blijven.

  1. Het schone bevalt onmiddellijk (maar slechts in de reflecterende aanschouwing en niet, zoals zedelijkheid, in het begrip).
  2. Het bevalt zonder enig belang (het zedelijk goede weliswaar noodzakelijk met een belang, maar dit belang gaat niet vooraf aan het oordeel over het welgevallen, maar wordt daardoor pas veroorzaakt).
  3. De vrijheid van de inbeeldingskracht (dus van de zintuiglijkheid van ons vermogen) wordt in de beoordeling van het schone voorgesteld als eenstemmig met de wetmatigheid van het verstand (in het morele oordeel wordt de vrijheid van de wil gedacht als overeenstemming van de wil met zichzelf naar algemene wetten van de rede).
  4. Het subjectieve beginsel van de beoordeling van het schone wordt als algemeen, d.w.z. voor iedereen geldig, maar door geen algemeen begrip kenbaar voorgesteld (het objectieve beginsel van de moraliteit wordt ook voor algemeen, d.w.z. voor alle subjecten en ook voor alle handelingen van hetzelfde subject, en daarbij ook door een algemeen begrip kenbaar verklaard). Daarom is het morele oordeel niet alleen bekwaam tot bepaalde constitutieve beginselen, maar is het enkel door het grondvesten van maximen op die beginselen en hun algemeenheid mogelijk.

Ook het gewone verstand slaat acht op deze analogie tussen het schone en het zedelijk goede. We geven mooie dingen in de natuur of in de kunst vaak namen, waaraan een zedelijke beoordeling ten grondslag lijkt te liggen. We  noemen gebouwen of bomen majestueus en prachtig, of velden lachend en vrolijk. Zelfs kleuren worden onschuldig, bescheiden of teder genoemd, omdat ze gevoelens opwekken, die analoog zijn aan gemoedstoestanden die door morele oordelen worden veroorzaakt. De goede smaak maakt als het ware de overgang van zintuiglijke prikkeling naar een door gewoonte gevormd moreel belang zonder een al te gewelddadige sprong mogelijk. De smaak stelt de inbeeldingskracht namelijk ook in haar vrijheid voor als doelmatig voor het verstand en leert haar om een vrij welgevallen te hebben, zelfs aan voorwerpen die geen zintuiglijke bekoring oproepen.


[1] Het intuïtieve kennen moet tegenover het discursieve (niet het symbolische) worden geplaatst. Deze eerste vorm van kennis is nu ofwel schematisch door demonstratie, of symbolisch als voorstelling naar een loutere analogie.